Rijks­uni­ver­siteit Groningen: Fauna­fonds inef­fi­cient


26 februari 2014

Den Haag, 26 februari 2014 - Wetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen hebben in opdracht van de Partij voor de Dieren Zuid-Holland onderzoek gedaan naar de efficiëntie en effectiviteit van het huidige Faunafonds. Hun conclusie luidt dat het Faunafonds inefficiënt is omdat er geen rekening wordt gehouden met de maatschappelijke baten van in het wild levende dieren. Het Faunafonds keert in opdracht van de provincies vergoedingen uit aan landbouwers voor schade die in het wild levende dieren veroorzaken.

De maatschappelijke kosten van schadebestrijding door de landbouw zijn hoger dan die van de landbouw alleen, aldus de onderzoekers. Voor het afschieten van dieren betaalt de hele maatschappij de prijs, bijvoorbeeld omdat dieren schuwer en minder zichtbaar zijn. Deze prijs wordt niet meegenomen door het Faunafonds. Dat leidt tot meer jacht.

Het beleid zou volgens de onderzoekers meer gericht moeten zijn op het voorkómen van schade van in het wild levende dieren aan de landbouw. De economen pleiten in hun rapport ‘De economische aspecten van het Faunafonds in Nederland’ voor structurele oplossingen in plaats van symptoombestrijding op korte termijn. Zij verwijzen naar voorstellen van de Dierenbescherming om schade door ganzen te voorkomen.

Het eigen risico van 5 procent voor de landbouw is in Nederland erg laag vergeleken met andere landen, zoals Canada. Volgens de onderzoekers is gedeeltelijke vergoeding van de faunaschade aan de landbouw het meest optimaal, omdat een volledige schadevergoeding de faunaschade overschat en de waarde van in het wild levende dieren onderschat. Door gedeeltelijke schadecompensatie ontstaat een aansporing voor de landbouw om zelf beschermingsmaatregelen te nemen. Ook ontstaat een positieve houding tegenover in het wild levende dieren. De Partij voor de Dieren wil het eigen risico daarom verhogen, tot bijvoorbeeld 50 procent.

Verder wijzen de onderzoekers op de mogelijkheid om schade-uitkering afhankelijk te maken van het aantal in het wild levende dieren in plaats van de incidentele schade, zoals in Zweden gebeurt. Dit leidt in Zweden tot een betere bescherming van het aantal dieren. De Partij voor de Dieren wil deze mogelijkheid nader onderzocht zien.

Tenslotte vragen de wetenschappers zich af of dieronvriendelijke maatregelen zouden moeten worden toegestaan. Want deze vraag is vanuit economisch perspectief alleen te beantwoorden als bekend is in welke mate de gemiddelde Nederlander afkeer heeft van deze maatregelen en wat de extra kosten zijn van het nemen van een andere diervriendelijke maatregel. Hiervoor is nader onderzoek nodig.

Per 1 januari 2014 is de verantwoordelijkheid van het Faunafonds overgegaan van het Rijk naar de provincies. In Nederland is de jaarlijkse schade ongeveer 1,5 tot 2 procent van de totale landbouwproductie.

De Partij voor de Dieren heeft het rapport op 26 februari 2014 aangeboden aan de voorzitter van Provinciale Staten in Zuid-Holland, Commissaris van de Koning dhr. Jaap Smit

Overhanding rapport door Carla van Viegen aan de Commissaris van de Koning, de heer Jaap Smit.

Foto: René Zoetemelk

Het rapport kan [hier] worden gedownload