Vervolg­vragen vangen en doden ganzen


Indiendatum: okt. 2008

Aan : het college van Gedeputeerde Staten
Datum: 19 september 2008

Onderwerp
Vervolgvragen naar aanleiding van de antwoorden op schriftelijke vragen over de verleende ontheffing d.d. 3 april 2008 door de provincie Zuid-Holland op grond van de Flora- en Faunawet ex artikel 68 aan faunabeheereenheden
om 16.175 grauwe ganzen en 3.320 brandganzen te vangen en te doden.

Toelichting
Naar aanleiding van de antwoorden op de door mijn fractie gestelde vragen d.d. 10 juli 2008 zijn er de nodige vragen ontstaan.

Naar aanleiding hiervan wil de fractie van de Partij voor de Dieren Zuid-Holland de volgende vragen aan u voorleggen.

1. In antwoord op vraag 2 geeft u aan dat de telgegevens altijd worden gecontroleerd en eventuele dubbeltellingen uit de telgegevens worden gehaald. Wie controleert deze telgegevens en op welke wijze?
2. Kunt u aangeven in welke gevallen in 2007 er sprake is geweest van dubbeltellingen en door wie is dat wanneer vastgesteld en om welke aantallen gaat het bij dubbeltellingen?
3. In antwoord op vraag 4 geeft u aan dat het quotum wordt vastgesteld op basis van tellingen en prognoses van de aantalontwikkeling, terwijl de tellingen niet compleet en tevens dubieus zijn. Kortom, de vaststelling van het quotum is niet op betrouwbare gegevens gebaseerd. Kunt u nader toelichten waarom u toch tot dit quotum bent gekomen?
4. Bij vraag 5 is geen antwoord gegeven op de gestelde vraag. Daarom wordt deze vraag nogmaals gesteld met het verzoek een antwoord op de vraag te geven. Kunt u bevestigen dat u in Zuid-Holland, hoewel er reeds duizenden ganzen zijn omgebracht, nog steeds ‘ondersteunend afschot’ van ganzen toestaat als een van de middelen die boeren kunnen gebruiken om landbouwschade te kunnen verhalen bij het Faunafonds? Zo ja waarom?
5. Kunt u aangeven waarom u het zuiver vindt dat jagers wel mogen tellen, terwijl zij rechtstreeks belang hebben bij de uitkomsten van de tellingen?
6. In antwoord op vraag 9 wordt aangegeven dat er koolstofdioxide wordt gebruikt als middel om de ganzen te doden. Het gebruik van koolstofoxide is geen middel zoals genoemd in het Besluit beheer en schadebestrijding. In antwoord op vraag 8 heeft u aangegeven dat alleen de middelen genoemd in dit Besluit mogen worden gebruikt. Kooldioxide is een verboden middel. Heeft de provincie ontheffing verleend voor het gebruik van kooldioxide en zo ja, aan wie en wanneer? Zo nee, hoe verklaart u het gebruik van dit verboden middel?
7. Aan welk gerenommeerd bedrijf heeft de provincie Zuid-Holland een vangopdracht gegeven?
8. Is aan dit bedrijf een ontheffing verleend om gebruik te mogen maken van een verboden middel, kooldioxide? Zo ja, wanneer? Zo nee, dan is er sprake van overtreding van wetgeving. Wat is uw standpunt hierin?
9. Indien dit niet het geval is, is er sprake van overtreding van wetgeving met medeweten van de provincie, aangezien er alleen aan de FBE in Zuid-Holland een ontheffing is afgegeven? Hoe verklaart u dit en wat gaat u in dit geval hiertegen ondernemen en wanneer?
10. Op basis van welk rapport of onderzoek baseert u de stelling op dat de schade hoger zou zijn geweest als er geen afschot had plaatsgevonden?
11. In antwoord op vraag 13 wordt verwezen naar een rapport van SOVON: “Overzomerende ganzen in Nederland: grenzen aan de groei.” Op blz. 59 van dit rapport wordt verwezen naar een uitgebreide toelichting op deze problematiek in paragraaf 7.3. De conclusie van deze paragraaf is: "samenvattend kan worden geconcludeerd dat er geen sterk bewijs bestaat voor een negatief verband tussen de aantallen grauwe ganzen en het aantal territoria van enkele karakteristieke rietvogels. Wel zouden lokaal mogelijk problemen kunnen spelen die met name tot uiting komen in een reductie van de aantallen kleine karekieten en rietgorzen. In hoeverre die van belang is voor het voorkomen van zeldzame doelsoorten als roerdomp en grote karekiet blijft vooralsnog onduidelijk. In dit rapport wordt, in tegenstelling wat u beweert, zeer voorzichtig gesteld dat er heel misschien plaatselijk een negatief verband zou kunnen bestaan. Er wordt beslist niet gesteld dat ganzen een negatieve invloed hebben, zoals door de provincie wordt gesuggereerd. Kunt u uw antwoord op vraag 13 nader toelichten?
12. Uit het feit dat met overmatig afschot de schade alleen maar zeer sterk is toegenomen ligt de conclusie veel meer voor de hand dat deze zogenaamde 'schadebeperkende' maatregelen de schade alleen maar hebben doen toenemen. Ondanks het afschot blijven er heel veel ganzen over (die bovendien meer hebben moeten eten om het verlies aan energie vanwege het voortdurend opgejaagd worden op de landbouwpercelen hebben moeten compenseren). Een goede methode is geen gebruik te maken van afschot, maar het verjagen van de ganzen van de meest kostbare en schadegevoelige percelen en door ze verder zoveel mogelijk met rust te laten. Nederland biedt zoveel ruimte en voedsel voor deze vogels, dat de populaties ondanks afschot en bestrijding zullen blijven doorgroeien tot het draagkrachtniveau. Wat vindt u van deze stelling? Bent u bereid nader onderzoek hiernaar te plegen en pilots te laten plaatsvinden?
13. Op welke wijze gaat u de oorzaken in kaart brengen en aanpakken en wanneer?
14. Duurzaamheid staat hoog in het vaandel van het college. Op welke wijze gaat u aan de slag met duurzame (en diervriendelijk) oplossingen en wanneer?

Namens de Partij voor de Dieren Zuid-Holland:

A.H.K. van Viegen

Fractievoorzitter Partij voor de Dieren
Provinciale Staten Zuid-Holland

Indiendatum: okt. 2008
Antwoorddatum: 7 okt. 2008

Klik hier voor de antwoorden.

Interessant voor jou

Verantwoordelijkheid provincie Zuid-Holland bij vervoer en opvang van in het wild levende gewonde dieren

Lees verder

Afschot damherten in verband met schade

Lees verder

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer