Bijdrage KNM commissie stik­stof­debat


9 september 2020

Voorzitter, laten we beginnen bij het begin. We voeren dit debat met het doel: de bescherming van de natuur in Zuid-Holland. Het belang van de natuur moet hierin voorop staan, niet de natuur als randvoorwaarde voor een gezonde economie. Natuur heeft een intrinsieke waarde van zichzelf, die los staat van het nut van de natuur voor de mens. Alleen daarom al zou de provincie de natuur moeten willen beschermen.

Daarnaast is het inderdaad zo dat de mens niet zonder de natuur kan. Wij zijn afhankelijk voor ons voortbestaan van de ecosystemen en de biodiversiteit. Voorzitter, ‘de natuur is van iedereen’. Dit schept ook een verantwoordelijkheid voor iedereen om de natuur en de biodiversiteit die we nog hebben, te beschermen en waar nodig te laten herstellen. Voor ons eigen voortbestaan en de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen.

De landbouwsector wordt verantwoordelijk gehouden voor 49 procent van de totale stikstof-emissies in ons land. Het motto van de Partij voor de Dieren is altijd geweest: minder dieren, minder mest, minder problemen. Maar het landbouwbeleid in Nederland is de laatste 25 jaar gericht op schaalvergroting en technische oplossingen voor de problemen die dit met zich meebrengt. Ondanks alle systemen is het ons niet gelukt om de natuur te beschermen.

In het Rapport commissie Remkes ‘Niet alles kan overal’ wordt gesteld dat:

1. De natuuraanpak erop gericht is om in (stikstofgevoelige) natuurgebieden een landelijk gunstige staat van instandhouding te bereiken, en de kwaliteit van de aangewezen natuurgebieden te versterken, door herstel- en beheermaatregelen uit te voeren en hydrologische condities aan te passen. De stikstofdepositie moet tenminste worden teruggebracht tot onder de grens van de kritische depositiewaarde (KDW) voor stikstofgevoelige natuur: de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door verzurende en/of vermestende invloed van atmostferische stikstofdepositie. Hoe groter de overschrijding en hoe langer deze duurt, hoe moeilijker het is om verslechtering van natuurkwaliteit te voorkomen en de natuurkwaliteit te herstellen.

2. In het rapport wordt onderscheid gemaakt tussen 2 deelopgaven: de aanpak van ammoniakemissies (de NH3-emissies) en de aanpak van stikstofoxidenemissies (NOx-emissies).

Voor de verlaging van NH3-emissies (voornamelijk afkomstig van de landbouw) staat gebiedsspecifiek maatwerk in het rapport centraal vanwege de meer directe relatie tussen emissie en depositie. Het adviescollege adviseert gebiedsspecifiek maatwerk, waarbij een nationale doelstelling geldt van minimaal 50% per provincie van de binnenlandse reductie NH3-emissies in 2030 ten opzichte van 2019. In het rapport ‘Niet alles kan overal’ van commissie Remkes wordt een zwaarder accent gelegd op de landbouw voor het reduceren van NH3-emissies. Deze emissies kunnen worden teruggedrongen door het mineralengebruik in de landbouw in balans te brengen. Het gebiedsspecifieke maatwerk begint met de ecologische beoordeling en het vaststellen van de opgave voor Zuid-Holland voor het terugdringen van de depositie in de inliggende Natura 2000 gebieden, gebaseerd op 4 elementen:

1. Stand van zaken ten aanzien van herstelmaatregelen, beheer en condities van de standplaatsfactoren

2. De depositie van de NH3-emissiebronnen in het gebied, beoordeeld met behulp van modellen en metingen

3. De eventuele aanwezigheid van NOx-piekbelasters en hun depositie

4. Depositie afkomstig van de diffuse NOx-concentratie (de stikstofdeken boven het gebied) met een reductiepad van minimaal 50%.

Het nationale programma werkt door naar de provincies. De taak van de provincies wordt omschreven als: ‘het opstellen van een herstelprogramma’ voor de Natura 2000 gebieden met zowel maatregelen gericht op herstel van de vitaliteit van de natuur in en om Natura 2000 gebieden en het verminderen van de gebiedsspecifieke emissies.

Uitgangspunt is hierbij, dat alle sectoren die verantwoordelijk zijn voor stikstofuitstoot een bijdrage moeten leveren aan de oplossingen, in de evenwichtige verhoudingen. Belemmeringen hierbij zijn:

1. Er worden geen echte lange termijn keuzes gemaakt;

2. Er is geen integrale benadering van de stikstofproblematiek;

3. Er wordt gebruik gemaakt van complexe systematiek;

4. Er is onvoldoende borging van het natuurbelang.

Over de natuur zegt het tweede rapport van commissie Remkes: systeemherstel moet niet alleen plaatsvinden in de Natura 2000 gebieden zelf, maar ook in het NNN en de overige natuur in Nederland. In Zuid-Holland zijn er 14 Natura 2000 gebieden die gevoelig zijn voor stikstofdepositie, daarnaast is er het NNN en andere natuurgebieden. Een brede aanpak is belangrijk, met onder andere transitie van de landbouw, waterbeheersing en waterberging, klimaatadaptatie, energietransitie en behoud van de kwaliteit van de leefomgeving. Hierbij hoort nadrukkelijk ook het herstel van de biodiversiteit.

Het advies voor de landbouwsector wordt ook bereikt door samenwerking te bevorderen tussen verschillende organisaties, dus niet alleen te kijken naar de landbouwsector zelf, maar ook door samenwerking met het rijk, gemeenten, provincies en het bedrijfsleven en de wetenschap.

Taak provincies: gebiedsregisseur -> behalen van de doelstelling -> natuurherstelprogramma’s: herstel van de natuur en verminderen van de gebiedsgerichte emissies -> afweging van de kosten en baten van de maatregelen uit de herstelprogramma’s -> heldere prioritering -> tijdspad. Provincies zijn zelf verantwoordelijk voor het behalen van de doelen: bestuurlijk schuilgedrag is misplaatst! Hierbij is van belang de ruimtelijke (her)inrichting sociaal te ontwerpen, gericht op het bevorderen van de sociale cohesie tussen burgers et verschillende belangen, gerelateerd waar sprake is van vermeende tegenstellingen tussen keuzes voor de natuur en de landbouw, terwijl deze functies ook met elkaar verbonden kunnen zijn als de aandacht wordt gericht op het ‘samen behouden’ ervan. Een voorbeeld van een dergelijke aanpak is het Deltaplan Biodiversiteitsherstel: bottom-up benadering is een brede maatschappelijke coalitie in nauw overleg met overheden samenwerken aan een gebiedsgebonden transitie van landgebruik, INCLUSIEF de landbouwpraktijk.

Voorzitter, wij steunen het voorstel van gedeputeerde in haar streven naar een natuur-inclusieve landbouw. Boeren die deze stap willen maken moeten daarin worden gefaciliteerd door de provincie. Maar we uiten onze zorg dat deze transitie alleen niet voldoende zal zijn om de emissiereductie van 50% in 2030 ten opzichte van 2019 te halen en de natuur te beschermen. Wij willen een brongerichte aanpak: dat betekent, minder dieren, minder uitstoot. Wij volgen het standpunt van onze landelijke fractie en pleiten voor een reductie van de veestapel in Zuid-Holland van 70%. Daarnaast vinden we het volgende belangrijk in Zuid-Holland:

2. Verlaging van de maximumsnelheid op de N-wegen.

3. De luchtvaartsector moet krimpen. RTHA.

4. De subsidie voor biomassa centrales in ZH moet stoppen.