Partij voor de Dieren kritisch over agrarisch natuur­beheer in provincie


21 mei 2013

Den Haag, 21 mei 2013 – Agrarisch natuurbeheer heeft amper effect op de verbetering van de natuur en het landschap in ons land. Dat blijkt uit een onlangs verschenen rapport van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur. De Partij voor de Dieren in Zuid-Holland was altijd al kritisch over deze vorm van natuurbeheer. Zij wil daarom weten wat er precies terecht is gekomen van zes jaar agrarisch natuurbeheer in Zuid-Holland.

In de periode 2007-2013 waren Rijk en provincies verantwoordelijk voor de uitvoering van de wet Inrichting landelijk Gebied (WILG). Eén van de onderdelen van deze wet is het agrarisch natuurbeheer, oftewel maatregelen die landbouwers nemen om de kwaliteit van natuur en landschap te verbeteren. Uit een onlangs verschenen rapport van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI) blijkt dat een groot deel van het agrarisch natuurbeheer in ons land amper effect heeft gehad en nauwelijks bijdroeg aan het stoppen van de achteruitgang van de aantallen weidevogels, terwijl er vele miljoenen euro’s subsidie hiervoor verstrekt zijn.

Argumenten om boeren hiervoor geld te geven zijn het grote oppervlak dat de landbouwsector bestrijkt en de hoge landschappelijke waarde van agrarische gebieden met een kleine soortenrijkdom. Maar uit een studie uit 2006 bleek al dat op landbouwgronden nauwelijks diersoorten voorkomen die moeten worden beschermd. Agrarisch natuurbeheer biedt dan ook geen bijdrage aan de instandhouding van dergelijke soorten. Hetzelfde geldt voor kwetsbare planten. Op percelen van boeren die daarvoor subsidie kregen, komen alleen algemene plantensoorten voor die zich daar ook zonder agrarisch natuurbeheer goed kunnen handhaven.

In de hele Europese Unie gaat het slecht met de vogels in agrarische gebieden. Sinds 1990 zijn hun aantallen met meer dan 25 procent achteruit gegaan. In Nederland zijn sinds 1960 3,3 tot 5,7 miljoen broedparen uit de agrarische gebieden verdwenen, een achteruitgang van 61 tot 73 procent bij 27 voorheen algemeen voorkomende weide- en akkervogels. Zo is het aantal veldleeuweriken met liefst 96 procent gedaald. Ook soorten als de patrijs (-93 procent), zomertortel (-92 procent), ringmus (-93 procent) en grutto (-68 procent) hebben een stevige veer gelaten.

De Partij voor de Dieren is om deze redenen altijd kritisch geweest over agrarisch natuurbeheer. Het RLI-rapport geeft de partij daarin gelijk. De partij wil daarom nu van Gedeputeerde Staten weten hoeveel geld er de afgelopen jaren aan agrarisch natuurbeheer in deze provincie is besteed en tot welke resultaten dat heeft geleid.

Het RLI-rapport sterkt de Partij voor de Dieren in haar mening dat het agrarisch natuurbeheer niet op de oude voet verder kan gaan. Ze wil daarom dat de provincie het beleid voor deze vorm van natuurbeheer herziet. Ook vraagt de partij of Gedeputeerde Staten bereid zijn om intensieve veehouderijen uit kwetsbare natuurgebieden, zoals de Natura 2000-terreinen, te weren. Verder zou de partij graag zien dat de provincie meer geld uittrekt voor natuureducatie.