Wereld­wijde uitstoot broei­kas­gassen neemt sneller toe sinds 2000


5 juni 2009

Nieuwe gegevens tonen aan dat tussen 2000 en 2005 de door de mens veroorzaakte uitstoot van broeikasgassen met 15% is toegenomen. Dat is een scherpe stijging in de toename van emissies, die 3% was in de periode van 1990 tot 1995 en 6% tussen 1995 en 2000. Mondiaal zijn de jaarlijkse broeikasgasemissies toegenomen van 24 miljard ton CO2-equivalenten in 1970 naar 35 miljard ton in 1990 en tot 41 miljard ton in 2005. In totaal is er 560 miljard ton broeikasgas in de atmosfeer gekomen tussen 1990 (het referentiejaar van het Kyoto protocol) en 2005. Het gehalte aan broeikasgassen in de atmosfeer nam hierdoor met 5% toe. Deze cijfers zijn zonder bos- en veenbranden (6 miljard ton in 2005).

Deze conclusies zijn gebaseerd op de meest recente resultaten van een samenwerkingsproject tussen het Joint Research Centre (JRC) van de Europese Commissie en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL): de Emission Database for Global Atmospheric Research (EDGAR). De nieuwe dataset, genaamd EDGAR v4.0, is het enige wereldwijde overzicht dat 35 jaar aan reeksen van broeikasgasemissies per land en per emissiesector bevat, en niet alleen gegevens over kooldioxide (CO2), maar ook over de broeikasgassen methaan (CH4), lachgas (N2O) en de fluorhoudende gassen HFKs, PFKs en SF6. Het is daarmee een krachtig hulpmiddel voor berekeningen voor het klimaatbeleid. In de aanloop naar de klimaattop in Kopenhagen eind dit jaar krijgen de industrielanden en de ontwikkelingslanden zo een compleet beeld van de historische en huidige trends.

Hoewel de uitstoot van kooldioxide wereldwijd het meest toegenomen is, met 18% tussen 2000 en 2005, zijn ook de mondiale emissies van methaan en lachgas aanzienlijk toegenomen (met respectievelijk 11 en 6%), terwijl de uitstoot van gefluorideerde broeikasgassen met 40% is toegenomen. Hoewel de uitstoot van deze andere broeikasgassen dan CO2 veel lager is in absolute hoeveelheden, is hun broeikaswerking verhoudingsgewijs veel groter dan die van CO2, waardoor ze samen een kwart bijdragen aan de totale uitstoot.

Bron: Planbureau voor de Leefomgeving