Schrif­te­lijke vragen afschot eenden


Indiendatum: aug. 2013

SCHRIFTELIJKE VRAGEN

Aan : Gedeputeerde Staten

Datum : 15 augustus 2013

Onderwerp : Schriftelijke vragen afschot eenden

Toelichting

Op 2 juli 2013 is door de provincie Zuid-Holland een ontheffing verleend om eenden te doden in de gehele provincie Zuid-Holland ter voorkoming van belangrijke schade aan granen, graszaad en peulvruchten (Kenmerk: ODH-2013-4850).

Uit gegevens van het Faunafonds is gebleken dat in 2010, 2011 en 2012 geen enkele schade door wilde eenden is gemeld en getaxeerd vanuit Zuid-Holland[1] [2] [3] [4] en dat de schade door wilde eenden in het gehele land in 2012 slechts 4500 euro bedraagt[5].

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 17 maart 2010 (zaaknummer: 200905547/1/H3) met betrekking tot een ontheffing voor het doden van wilde eenden in de provincie Friesland de volgende uitspraken gedaan: “Ofschoon artikel 9 van de Vogelrichtlijn een ruime afwijking van de algemene beschermingsregeling toestaat, moet zij niettemin een concrete en gerichte toepassing vinden teneinde tegemoet te komen aan nauwkeurige vereisten en specifieke situaties. De rechtbank (Leeuwarden) heeft, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling, met juistheid overwogen dat aan het in artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw gestelde vereiste van belangrijke schade is voldaan, indien is gebleken van een concrete dreiging van belangrijke schade. De rechtbank heeft eveneens met juistheid overwogen dat het college bij de invulling van het begrip ‘belangrijke schade’ en bij het bepalen of sprake is van een concrete dreiging daarvan, een zekere beoordelingsruimte toekomt. Gelet op de onder 2.3.1. vermelde arresten van het Hof, dient een besluit waarbij een ontheffing van het verbod op afschot is verleend, evenwel strikt noodzakelijk te zijn en op een nauwkeurige en treffende motivering te berusten……

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college uit deze schadehistorie en het verloop daarvan in dit specifieke geval niet zonder nadere motivering heeft kunnen concluderen dat in de gehele provincie Friesland een concrete dreiging van belangrijke schade aan de gewassen A valt te verwachten. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, blijkt hieruit alleen dat de wilde eend in de periode 1997 tot en met 2007 jaarlijks incidenteel schade heeft veroorzaakt in een aantal Friese gemeenten.”

Vragen:

1. Op welke wijze is aangetoond dat er in de hele provincie een daadwerkelijke dreiging is van belangrijke schade aan de genoemde soorten landbouwgewassen, te weten granen, graszaden en peulvruchten?
2. Voldoet deze beschrijving (antwoord op vraag 1) volgens u aan de definitie van een nauwkeurige en treffende motivering en kunt u dit nader toelichten?
3. Bent u – ingeval de nauwkeurige en treffende motivering niet gegeven kan worden – met ons van mening dat de betreffende ontheffing niet verleend had mogen worden?
4. In 2010, 2011 en 2012 is volgens gegevens van het Faunafonds geen enkele schade door wilde eenden gemeld en getaxeerd vanuit Zuid-Holland (zie toelichting). Wat is de argumentatie dat u van mening bent dat er nu wel sprake kan zijn van acute en belangrijke schade? Bent u met ons van mening dat ook om deze reden de betreffende ontheffing niet had mogen worden verleend? Zo nee, waarom niet?
5. Welke andere maatregelen om deze schade te voorkomen, zijn de afgelopen jaren toegepast en kunt u zo specifiek mogelijk aangeven waarom deze niet als bevredigend worden beschouwd, zeker gezien de korte periode waarvoor de ontheffing is verleend, namelijk 6 weken?
6. Wat wordt verstaan onder ‘acuut dreigende schade’?
7. Op welke wijze wordt vastgesteld dat de schade daadwerkelijk door wilde eenden wordt veroorzaakt en niet bijvoorbeeld het gevolg is van de weersomstandigheden, zoals platgeslagen graan als gevolg van harde wind en/of regen?
8. Kunt u nader toelichten waarom er volgens u sprake is van een gelijkenis met de ontheffing van 7 juni 2011 (kenmerk: PZH-2011-293113960) en die van 13 juni 2012 (kenmerkPZH-2012-339944638), waardoor volgens u geen advies behoeft te worden ingewonnen bij het Faunafonds, temeer daar er in 2012 volgens het Faunafonds ook geen gemelde schades waren?
9. Waarom zijn op percelen met graszaad en granen vanaf zes maanden na inzaai geen preventieve middelen vereist, zoals in de voorschriften van de verleende ontheffing is aangegeven?
10. Waar is in Zuid-Holland in de periode van 2 juli t/m 14 augustus 2013 sprake geweest van ‘acuut dreigende schade’?
11. Hoeveel wilde eenden zijn er in die periode gedood, en op welke soort percelen (welke gewassen werden er verbouwd) en in welke gemeenten?
12. Zijn er in die periode wilde eenden afgeschoten in gebieden, die vallen onder de bescherming van de Natuurbeschermingswet? Zo ja, hoeveel en waar en op welke wijze werd voorkomen dat andere beschermde dieren verontrust werden?

A.H.K. van Viegen

Fractievoorzitter Partij voor de Dieren

Provinciale Staten Zuid-Holland

[1] http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/jaarverslagen/2011/05/20/jaarverslag-faunfonds- 2010.html

[2] http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2011/12/01/jaarverslag-faunafonds-2011.html

[3] http://www.faunafonds.nl/upl/files/Schadecijfers%5Cwebsite2012-1.pdf

[4] http://www.faunafonds.nl/upl/files/Schadecijfers%5Cwebsite2012-2.pdf

[5] http://www.faunafonds.nl/upl/files/Jaarverslagen%5CJaarverslag%202012.pdf

Indiendatum: aug. 2013
Antwoorddatum: 3 sep. 2013

Klik hier voor de antwoorden.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer