Schrif­te­lijke vragen evaluatie ILG, natuur­beleid en agrarisch natuur­beheer


Indiendatum: mei 2013

SCHRIFTELIJKE VRAGEN

Aan : Gedeputeerde Staten

Datum : 21 mei 2013

Onderwerp : Schriftelijke vragen evaluatie Inrichting Landelijk Gebied (ILG), natuurbeleid

en agrarisch natuurbeheer

Toelichting

In de periode 2007-2013 is door de Rijk en de provincies uitvoering gegeven aan de wet Inrichting landelijk Gebied (WILG). Een aantal belangrijke onderdelen van de uitvoering betreft het natuurbeleid, het agrarisch natuurbeheer en het anti-verdrogingsbeleid, In een onderzoek dat in opdracht van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur is uitgevoerd (Kleijn, 2012) en in een ander onderzoek is aangetoond dat een groot deel van het agrarisch natuurbeheer weinig effectief was en nauwelijks bijdroeg aan het stoppen van de achteruitgang van de aantallen weidevogels (Kleijn et al., 2001; Berendse, 2004; Breeuwer et al., 2008).

Argumenten voor het huidige agrarisch natuurbeheer zijn het grote oppervlak dat bestreken wordt door de landbouw en de hoge landschappelijke waarde die agrarische gebieden met een kleine soortenrijkdom toch kunnen vertegenwoordigen. Op landbouwgronden komen echter nog nauwelijks diersoorten voor die bescherming behoeven (Kleijn et al., 2006). Op de langere termijn biedt agrarisch natuurbeheer in de huidige vorm dan ook geen bijdrage aan de instandhouding van dergelijke soorten. Verder draagt agrarisch natuurbeheer ook niet of nauwelijks bij aan de instandhouding van kwetsbare plantensoorten. Op percelen met ‘botanische pakketten’ (subsidie voor de aanwezigheid van plantensoorten) komen uitsluitend algemene plantensoorten voor die zich ook zonder agrarisch natuurbeheer goed kunnen handhaven in agrarische gebieden. Instandhouding of aanleg van halfnatuurlijke landschapselementen leidt weliswaar tot meer aantrekkelijke landschappen, maar zelden tot een verbetering van de leefomgeving van de meest kwetsbare soorten in deze gebieden. Op korte termijn zijn ingrijpende maatregelen nodig om te voorkomen dat deze soorten verdwijnen (Schroeder et al., 2009). Stoppen met bestrijdingsmiddelen of drastisch verhogen van de grondwaterstand raakt echter een economisch rendabele bedrijfsvoering in de kern (Kleijn, 2012).

In de hele EU gaat het slecht met de vogels in agrarische gebieden: sinds 1990 is de achteruitgang meer dan 25% (PBL, 2012b). Uitgaande van een gemiddelde populatie van 36 soorten, bedroeg het verlies 0,7% per jaar in de periode 2000- 2008 (Eurostat, 2009). Het Nederlandse soortenverlies is vergelijkbaar met dit gemiddelde (zie ook Centraal Planbureau et al., 2011). Sinds 1960 zijn 3,3-5,7 miljoen broedparen uit de Nederlandse agrarische gebieden verdwenen, een achteruitgang van 61-73% bij 27 (voorheen) algemeen voorkomende weidevogels. De veldleeuwerik verloor naar schatting 750.000 tot 1,1 miljoen broedparen (afname van minstens 96%) en werd in grote delen van het land een schaarse verschijning. Dan volgen patrijs (afname van 93%), zomertortel (afname van 92%), ringmus (afname van 93%) en grutto (afname van 68%). Dit rijtje laat zien dat niet alleen typische weide- of akkervogels een veer hebben moeten laten, maar dat ook van soorten van het kleinschalig cultuurlandschap meer dan twee derde van de populatie verdween (Sovon, 2012).

Toelichting vraag 13

In het rapport staat vermeld (pag. 67): “De snelle verarming in het agrarisch gebied staat in contrast met de Europese index voor 145 algemeen voorkomende soorten: de Common Bird Index. Die laat het laatste decennium juist stabilisatie en zelfs voorzichtig herstel zien. Dit geldt voor zowel Nederland als voor de EU in haar geheel (Eurostat, 2009).”

Toelichting vraag 14

In het rapport staat vermeld (pag.69): “De voortgang in verdrogingsbestrijding blijft moeizaam. Volgens de voortgangsrapportage van het Landelijk Steunpunt Verdroging (2010) wordt verdrogingsbestrijding door de provincies wel voorbereid, maar nog niet uitgevoerd. Om deze impasse te doorbreken was in het Investeringsbudget Landelijke Gebied (ILG) een aantal gebieden geprioriteerd. De belangrijkste knelpunten bleken in die gebieden achterblijvende grondverwerving, een gebrek aan draagvlak in de streek, te weinig financiële middelen en een tekort aan bestuurlijke drive.”

Toelichting vraag 15

In het rapport staat vermeld (pag. 72): “Verplaatsing van landbouwbedrijven en herbestemming van natuurgebieden kan voor de scheiding van functies in een aantal gevallen nodig zijn. In sommige situaties, als kleine percelen met intensieve landbouw een onevenredig negatief effect op aangrenzende natuurgebieden hebben, kan onteigening deze effecten wegnemen. De spanning tussen publieke belangen (herinrichting van gebieden) en private belangen (individuele bedrijven) vergt politieke keuzen. De uitvoering van de gemaakte keuzen vraagt om een zorgvuldige omgang met de private belangen.”

Toelichting vraag 16

In het rapport staat vermeld (pag. 89): “Natuureducatie vergroot de maatschappelijke betrokkenheid bij natuur, zowel in termen van algemeen draagvlak als van inzet en waardering van burgers voor natuur. Daarnaast leidt natuureducatie tot individuele zelfontplooiing, een gezonde leefstijl en bewustwording van de betekenis van natuur als bestaansvoorwaarde (Van Koppen, 2012; zie ook hoofdstuk 3).”

Naar aanleiding van de bovenstaande toelichting wil de Partij voor de Dieren de volgende vragen aan u voorleggen.

Vragen

Kunt u helder en bondig aangeven wat de oorspronkelijke doelen van het ILG beleid (dat in 2007 is gestart) waren?
Hoeveel geld is in totaal besteed vanuit de gelden Inrichting Landelijk Gebied (ILG gelden) en hoeveel geld is er besteed aan:

a) de glastuinbouw;

b) infrastructurele projecten;

c) economische belangen;

d) ecologische belangen?

Op welke wijze heeft de provincie erop toegezien dat de te subsidiëren maatregelen voldoende worden/werden uitgevoerd?
Wat zijn de effecten van deze maatregelen en wat vindt u van de effecten en resultaten tot nu toe, afgezet tegen de investeringen?
Welke knelpunten zijn er volgens GS nog met betrekking tot de ontsnippering van de EHS?
Bent u voornemens om in een heldere eindevaluatierapportage van de ILG (periode 2007-2013) aan PS te doen toekomen? Zo ja, wanneer kunnen PS die verwachten? Zo nee, waarom niet?
Kent u het rapport ‘Onbeperkt houdbaar’ van de Raad voor Leefomgeving en Infrastructuur?[1]
Kunt u specifiek aangeven wat de oorspronkelijke doelen waren van het ILG beleid (dat in 2007 is gestart) m.b.t. het agrarisch natuurbeheer?
Hoeveel geld is in totaal sinds 2007 besteed aan agrarisch natuurbeheer, welke resultaten in Zuid-Holland tot nu toe zijn bereikt en tot welke resultaten en effecten hebben de ILG gelden voor agrarisch natuurbeheer in Zuid-Holland geleid in het algemeen en specifiek ten aanzien van de verbetering van de weidevogelstand (één van de belangrijke doelen van agrarisch natuurbeheer)?
Wat vindt u van deze resultaten die zijn bereikt, afgezet tegen de investeringen?
Bent u met ons van mening (zoals ook uit het rapport blijkt) dat het beleid ten aanzien van het agrarisch natuurbeheer herzien moet worden en dat er niet moet worden doorgegaan op de oude voet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen en op welke termijn?
Kunt u aangeven of er in Zuid-Holland een verschil is tussen agrarisch natuurbeheer en natuurbeheer door natuurorganisaties met betrekking tot het behalen van natuurdoelen en zo ja welk verschil?
Wat vindt u van ervan dat Nederland achterblijft bij de Europese index voor 145 algemeen voorkomende soorten en hoe is de situatie in Zuid-Holland vergeleken met de rest van Nederland? En wat gaat u eraan doen?
Kunt u zo specifiek mogelijk aangeven wat in Zuid-Holland sinds 2007 is bereikt ter verbetering van de toenemende verdroging en de anti-verdogingsmaatregelen in Zuid-Holland? Op welke wijze zijn de resultaten en effecten gemonitord?
Bent u bereid om u in te zetten om intensieve veehouderijen nabij kwetsbare natuurgebieden, zoals Natura-2000 gebieden, en die ernstige schade opleveren voor die natuurgebieden, daar niet meer toe te staan? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Wat wordt er door de provincie gedaan aan natuureducatie en bent u bereid om dit te intensiveren? Zo nee, waarom niet?
Wat gaat u doen met de overige aanbevelingen uit het bovengenoemde rapport?

A.H.K. van Viegen

Fractievoorzitter Partij voor de Dieren

Provinciale Staten Zuid-Holland


[1]http://www.rli.nl/sites/default/files/aanbiedingsbrief_advies_onbeperkt_houdbaar_aan_staatssecretaris_dijksma_ez.pdf

Indiendatum: mei 2013
Antwoorddatum: 21 mei 2013

Klik hier voor de antwoorden.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer