Tech­nische vragen Nota KRW en concept- regionaal waterplan Zuid-Holland


Indiendatum: 29 nov. 2020

1) Er zijn bouwplannen in de Zuidplaspolder, het laagste deel van Nederland. Welke gevaren en risico’s kleven aan dergelijke bouwplannen, mede gezien de klimaatverandering?

2) Concept regionaal Waterprogramma 2.1 Er staat: ‘In het kader van de goedkeuring beoordeelt de provincie onder andere of de landschappelijke, natuur- en cultuurwaarden (LNC-waarden) in het plan voldoende zijn meegenomen en de ruimtelijke kwaliteit niet wordt aangetast. Op deze manier draagt de provincie bij aan een goede landschappelijke inpassing van dijken.’ Welke criteria worden door de provincie voor de LNC-waarden gehanteerd?

3) Concept Regionaal Waterprogramma 2.2.2 Er staat: ‘De provincie is ook bevoegd gezag wanneer voor een dijkversterkingsplan een Milieueffectrapportage (MER) opgesteld wordt. Ook coördineert de provincie de juridische procedure van de uitvoeringsvergunningen en de inspraak. Op deze manier zorgt de provincie ervoor dat inbreng van belanghebbenden en milieueffecten een volwaardige plaats in de besluitvorming krijgen.’ Waar en hoe vaak is dat tot nu toe gebeurd?

4) Hoe komt het dat Grondwaterlichaam Duin-Rijn West niet voldoet?

5) Pag.6 2e alinea. Verwacht wordt dat nationaal in 2027 60 tot 65 % van doel behaald zal zijn. Dat is slechts 2/3 deel. Ook in Zuid-Holland is dit percentage waar nu vanuit wordt gegaan. Wat zouden de gevolgen zijn voor de leefomgeving, natuur, dier, mens, wanneer de provincie de KRW-doelen slechts gedeeltelijk haalt? En hoe zal Europa reageren op het niet halen van deze doelen?

6) Pag.7 Hoe verklaart de provincie dat de oppervlaktewateren slechter zijn gaan scoren op stikstof en fosfor in 2018?

7) Pag.10 laatste alinea. Er staat ‘Een beperkt aantal van circa 43 zijn nog niet afgerond en lopen ook door naar de volgende periode’ en ‘Enkele projecten zijn door geldgebrek niet van de grond gekomen’. Van wiens geldgebrek is hier sprake? Was er geen geld beschikbaar vanuit de provincie?

8) Pag.14 Welke afwegingen worden gemaakt bij een conflict tussen beleidsdoelen wateroverlast en bodemdaling/biodiversiteit? Op basis waarvan wordt mogelijk het omgevingsbeleid en/of de normen in verordening herzien?

9) Pag.16 2e alinea. Er staat: ‘De maatregelen uit het vorige uitvoeringsprogramma gebiedsdossiers 2013-2018 zijn grotendeels uitgevoerd’. Welke Zuid-Hollandse gebiedsdossiers zijn er en bij welke zijn maatregelen al uitgevoerd? Er staat grotendeels, dat betekent dat nog niet bij alle dossiers maatregelen zijn uitgevoerd, dus bij welke gebiedsdossiers is dat nog niet gebeurd?

10) Pag.19 4e alinea. Er staat: ‘Voorts hoeven maatregelen niet uitgevoerd te worden als ze leiden tot “significant negatieve effecten” voor functies in het gebied’. Welke functies worden hier bedoeld en klopt het dat met “significant negatieve effecten” hier de effecten worden bedoeld veroorzaakt vanuit de natuurkant? Oftewel, delft natuur altijd het onderspit op gebruiksfuncties? (dus als een ecologische maatregel een negatief effect heeft op een gebruiksfunctie, dan gaat de ecologische maatregel niet door! Dus mens boven natuur!)

11) Pag.19 4e alinea. Welke maatregelen kostten te veel geld en zijn doorgeschoven?

12) Pag.22 Welke criteria worden gehanteerd voor het goedkeuren van het lozen van zout water?

13) Pag.22 Bij ‘aanpak puntbronnen‘: om welke overige emissie-reducerende maatregelen gaat het? Bij ‘aanpak diffuse bronnen’: om welke overige bronmaatregelen gaat het hier? Bij ‘regulering waterbeweging’: om welke overige inrichtingsmaatregelen gaat het hier? En bij ‘aanvullende maatregelen’: om welke overige beheermaatregelen, instrumentele maatregelen en RO-maatregelen?

14) Pag.28 Voor alternatieve bronnen zal nog moeten worden bepaald wat voor bescherming hieraan wordt toegekend; beleid en afspraken hieromtrent zullen in een later stadium worden gemaakt. Aan welke termijn moeten we dan denken?

15) Waardoor wordt de overschrijding DICP, MTBE, Gabapentine, Triisobutylfosfaat veroorzaakt en hoe komt het dat er zelfs een stijgende trend is?

Indiendatum: 29 nov. 2020
Antwoorddatum: 1 dec. 2020

1) Er zijn bouwplannen in de Zuidplaspolder, het laagste deel van Nederland. Welke gevaren en risico’s kleven aan dergelijke bouwplannen, mede gezien de klimaatverandering?

Antwoord

In Zuid-Holland passen we onze steden en dorpen aan op de condities van bodem, water en ons klimaat in ons deel van Noordwest-Europa. Deze kennis en expertise die we in de loop van de tijd hebben opgebouwd passen we ook in onze bouwplannen toe. Het maakt ons laaggelegen land, ook volgens de deltacommissaris Peter Glas, de veiligste Delta ter wereld. Door de veranderingen in ons klimaat zien we echter steeds vaker weersextremen. Dit in de vorm van vaker voorkomende perioden van wateroverlast, hittestress en droogte. Iets wat gecombineerd wordt met een mogelijk stijgende zeespiegel en met bodemdaling dat op veel plekken in onze provincie voorkomt. Bij bouwplannen moeten we met deze factoren steeds meer rekening gaan houden. Om hier invulling aan te geven startte de provincie een publiek-private samenwerking in Zuid-Holland onder de noemer ‘Convenant Klimaatadaptief Bouwen’, waarover we u periodiek informeren. Met dit convenant hebben partners uit de bouwketen afspraken gemaakt om klimaatadaptief bouwen als nieuwe normaal te maken en te verankeren in hun werkproces, beleid en regelgeving. Provincie Zuid-Holland heeft in het Ontwerp-Omgevingsbeleid 2020, dat op 1 december 2020 de inspraak ingaat, in de beleidskeuze Toekomstbestendig bouwen, daarom gesteld dat klimaatadaptief bouwen de norm is in Zuid-Holland. Daarnaast wordt in het ontwerp Wijziging Omgevingsverordening een artikel toegevoegd om risico’s van klimaatverandering goed in beeld te brengen. Zodat voor zover risico’s zich voordoen rekening wordt gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico’s.

2) Concept regionaal Waterprogramma 2.1 Er staat: ‘In het kader van de goedkeuring beoordeelt de provincie onder andere of de landschappelijke, natuur- en cultuurwaarden (LNC-waarden) in het plan voldoende zijn meegenomen en de ruimtelijke kwaliteit niet wordt aangetast. Op deze manier draagt de provincie bij aan een goede landschappelijke inpassing van dijken.’ Welke criteria worden door de provincie voor de LNC-waarden gehanteerd?

Antwoord

Voor de Natuurwaarden wordt bij de beoordeling getoetst of het plan aan de Wet natuurbescherming voldoet (Natura 2000, soorten en houtopstanden) en aan het NNNbeleid van de provincie. Bij NNN-beleid gaat het dan met name om de Beleidsregel compensatie natuur, recreatie en landschap Zuid-Holland en het daarin opgenomen ‘Nee, tenzij beginsel´. De Landschaps- en Cultuurwaarden zijn de waarden zoals verbeeld op de provinciale kwaliteitskaart, in de gebiedsprofielen en op de provinciale Cultuurhistorische kaart. Door de provincie wordt onder andere beoordeeld of in het plan voldoende rekening wordt gehouden met provinciaal beleid op het vlak van erfgoedthema’s (zoals archeologie) en erfgoedgebieden (zoals werelderfgoed en kroonjuwelen).

3) Concept Regionaal Waterprogramma 2.2.2 Er staat: ‘De provincie is ook bevoegd gezag wanneer voor een dijkversterkingsplan een Milieueffectrapportage (MER) opgesteld wordt. Ook coördineert de provincie de juridische procedure van de uitvoeringsvergunningen en de inspraak. Op deze manier zorgt de provincie ervoor dat inbreng van belanghebbenden en milieueffecten een volwaardige plaats in de besluitvorming krijgen.’ Waar en hoe vaak is dat tot nu toe gebeurd?

Antwoord

De provincie is wettelijk bevoegd gezag voor de mer- en coördinatie procedures die voorafgaan aan de goedkeuring door de provincie van dijkversterkingsplannen voor primaire keringen. In de afgelopen 10 jaar zijn er van provinciewege 11 dijkversterkingsplannen goedgekeurd en daarvoor zijn dus ook mer- en coördinatieprocedures gevolgd. Hierbij ging het om dijkversterkingsprojecten in de beheergebieden van alle waterschappen binnen Zuid-Holland, waarbij ca. de helft in het beheergebied van WSHD speelde.

4) Hoe komt het dat Grondwaterlichaam Duin-Rijn West niet voldoet?

Antwoord

Dit betreft overschrijdingen van normen voor fosfaat en bestrijdingsmiddelen in de bollenstreek, zoals aangegeven in de sheets van de technische sessie dd 30 september. Het gebruik van deze stoffen is inmiddels afgenomen, waardoor naar verwachting het grondwaterlichaam Duin-Rijn West met de tijd aan de normen gaat voldoen. De afname van het gebruik van de stoffen heeft niet direct effect vanwege een na-ijleffect.

5) Pag.6 2e alinea. Verwacht wordt dat nationaal in 2027 60 tot 65 % van doel behaald zal zijn. Dat is slechts 2/3 deel. Ook in Zuid-Holland is dit percentage waar nu vanuit wordt gegaan. Wat zouden de gevolgen zijn voor de leefomgeving, natuur, dier, mens, wanneer de provincie de KRW-doelen slechts gedeeltelijk haalt? En hoe zal Europa reageren op het niet halen van deze doelen?

Antwoord

Het is belangrijk dat mensen, dieren en planten in een schoon en duurzaam milieu en dus ook in/met schoon water kunnen leven. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw was de waterkwaliteit in het algemeen erg slecht, onder andere door industrialisatie en “rationaliseringen” in de landbouw. Sindsdien is er veel verbeterd, maar er is nog een flinke stap nodig om weer overal op een goed niveau te komen. Dat geldt zowel voor de ecologische kwaliteit van het water als voor de chemische kwaliteit. De gezondheid van mensen lijkt niet direct in het geding. Voor de bereiding van drinkwater wordt het water immers verregaand gezuiverd en als zwemwater niet verantwoord is om in te zwemmen worden er op officiële zwemplekken zwemverboden afgekondigd. Voor voedsel dat uit het water komt (met name vis) gelden normen waar het aan moet voldoen om verkocht te mogen worden. De EU stelt dat in 2027 alle maatregelen uitgevoerd moeten zijn om het doel te bereiken. Als Nederland hieraan niet voldoet dan kan dat verschillende gevolgen hebben:

- De EU kan sancties opleggen

- Het imago van NL als waterexpert loopt schade op

- Extra beperkingen aan sectoren (bv. landbouw) zijn denkbaar.

Overigens is 2027 niet de einddatum van de KRW. We blijven iedere zes jaar stroomgebiedbeheerplannen maken.

6) Pag.7 Hoe verklaart de provincie dat de oppervlaktewateren slechter zijn gaan scoren op stikstof en fosfor in 2018?

Antwoord

Volgens het RIVM is dit het gevolg van toename stikstofgebruik en door de recente droge zomers (door droogte nemen gewassen minder voedingsstoffen op).

7) Pag.10 laatste alinea. Er staat ‘Een beperkt aantal van circa 43 zijn nog niet afgerond en lopen ook door naar de volgende periode’ en ‘Enkele projecten zijn door geldgebrek niet van de grond gekomen’. Van wiens geldgebrek is hier sprake? Was er geen geld beschikbaar vanuit de provincie?

Antwoord

Bij andere partijen (stakeholders) is sprake van geldgebrek, onder andere de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (KAVB).

8) Pag.14. Welke afwegingen worden gemaakt bij een conflict tussen beleidsdoelen wateroverlast en bodemdaling/biodiversiteit? Op basis waarvan wordt mogelijk het omgevingsbeleid en/of de normen in verordening herzien?

Antwoord

Het maken van een afweging tussen beleidsdoelen is altijd maatwerk. Het verhogen van het waterpeil ten behoeve van weidevogels of aanpak bodemdaling heeft tot gevolg dat waterschappen in deze peilvakken mogelijk niet aan de norm voor wateroverlast kunnen voldoen, terwijl dat in de praktijk geen probleem hoeft te zijn (vernatten is immers de bedoeling). Hierover is de provincie in gesprek met de waterschappen. Daarbij verkennen we hoe de verantwoordelijkheid van het waterschap in de verordening af te bakenen bij provinciale ambities, al dan niet gefaciliteerd middels bestemmingsplannen, die gevolgen hebben voor het behalen van de norm voor wateroverlast. Dit speelt bijvoorbeeld bij weidevogelgebieden, waar agrarische grond wordt vernat. Met de waterschappen wordt daarnaast bezien hoe ver de verantwoordelijkheid van waterschappen reikt (bv bij het toestaan van een peilafwijking binnen een peilvak) en hoe we met dat soort situaties om zouden moeten gaan en hoe we dat zouden kunnen vastleggen in de verordening.

9) Pag.16 2e alinea. Er staat: ‘De maatregelen uit het vorige uitvoeringsprogramma gebiedsdossiers 2013-2018 zijn grotendeels uitgevoerd’. Welke Zuid-Hollandse gebiedsdossiers zijn er en bij welke zijn maatregelen al uitgevoerd? Er staat grotendeels, dat betekent dat nog niet bij alle dossiers maatregelen zijn uitgevoerd, dus bij welke gebiedsdossiers is dat nog niet gebeurd?

Antwoord

Voor elke winlocatie waar de provincie Zuid-Holland bevoegd gezag is wordt een gebiedsdossier opgesteld. In de provincie Zuid-Holland zijn dit 12 grondwaterwinningen. In 2019 zijn de gebiedsdossiers geactualiseerd. Per gebiedsdossier zijn specifieke bedreigingen voor de winning in beeld gebracht en maatregelen afgesproken om deze te beheersen. Een deel van de maatregelen heeft een continu karakter en enkele maatregelen uit het uitvoeringsprogramma 2013-2018 lopen nog of zijn in de afgelopen periode niet opgestart. Met de actualisatie van de gebiedsdossiers zijn ook de maatregelen geactualiseerd. Deze zijn opgenomen in bijlage 8 van de KRW-nota.

10) Pag.19 4e alinea. Er staat; ‘Voorts hoeven maatregelen niet uitgevoerd te worden als ze leiden tot “significant negatieve effecten” voor functies in het gebied’. Welke functies worden hier bedoeld en klopt het dat met “significant negatieve effecten” hier de effecten worden bedoeld veroorzaakt vanuit de natuurkant? Oftewel, delft natuur altijd het onderspit op gebruiksfuncties? (dus als een ecologische maatregel een negatief effect heeft op een gebruiksfunctie, dan gaat de ecologische maatregel niet door! Dus mens boven natuur!)

Antwoord

Er wordt in dezelfde alinea al een voorbeeld gegeven: het ondieper maken van een water dat tevens een vaarweg is (functie), kan gunstig zijn voor de ecologische potentie, maar maakt het varen (de functie) onmogelijk. In dit geval hoeft de maatregel niet te worden uitgevoerd, waardoor het ecologische doel lager uitvalt. Overigens kunnen N2000 maatregelen en KRW-doelen ook strijdig zijn: denk aan vogelrichtlijn-bevorderende maatregelen waarbij de waterkwaliteit vanwege de vogelpoep achteruit gaat.

11) Pag.19 4e alinea. Welke maatregelen kostten te veel geld en zijn doorgeschoven?

Antwoord

Deze tekst is bedoeld om aan te geven dat uitstel om reden van kosten zich kan hebben voorgedaan, maar dat dit in de komende planperiode niet is toegestaan. Wij hebben geen overzicht van alle in deze planperiode door de waterschappen niet-uitgevoerde maatregelen die in de derde planperiode uitgevoerd gaan worden.

12) Pag.22. Welke criteria worden gehanteerd voor het goedkeuren van het lozen van zout water?

Antwoord

Het lozen van brijn staat op gespannen voet met het beginsel van prevent & limit van de Kaderrichtlijn Water en de Grondwaterrichtlijn, omdat brijnlozing kan leiden tot toename van de concentratie van verontreinigende stoffen. Daarom wordt terughoudend omgegaan met het toestaan van brijnlozingen in het grondwater. De vergunningverlening voor brijnlozingen is belegd bij gemeenten. In samenwerking met de mede-overheden en sector is een beleidskader goed gietwater glastuinbouw (https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/handboek-water/activiteiten/telengewassen/telen-kweken/goed-gietwater/) opgesteld dat de gemeente gebruikt als handvat voor de beoordeling van aanvragen om ontheffing. Daarbij wordt als uitgangspunt gebruikt dat brijnlozingen zo veel mogelijk voorkomen moet worden door te kijken naar alternatieven.

13) Pag.22 Bij ‘aanpak puntbronnen‘: om welke overige emissie-reducerende maatregelen gaat het? Bij ‘aanpak diffuse bronnen’: om welke overige bronmaatregelen gaat het hier? Bij ‘regulering waterbeweging’: om welke overige inrichtingsmaatregelen gaat het hier? En bij ‘aanvullende maatregelen’: om welke overige beheermaatregelen, instrumentele maatregelen en RO-maatregelen?

Antwoord

De aanpak puntbronnen: gaat over aanpak overstorten, riolering, enkele RWZI’s en aansluitingen van glastuinbouwbedrijven op het riool. Bij diffuse bronnen gaat het om het inzetten van duurzame gewasbeschermingsmiddelen. Bij overige inrichtingsmaatregelen onder regulering waterbeweging gaat het om:

  • aanleggen legakkers,
  • optimaliseren waterinlaat,
  • afspraken maken over/stimuleren van:
  • het verwijderen van plastic en beschoeiing;
  • uitvoeren natuurvriendelijk inrichtingspakket;
  • schut- en lekverliezen sluizen opheffen;
  • aanleggen vooroeververdediging;
  • ophogen slikplaat;
  • behoud en herstel van oevers

Bij de aanvullende maatregelen gaat het om de volgende instrumentele maatregelen:

  • afspraken maken over het optimaliseren van de waterketen;
  • brongerichte aanpak van de chemische stofgroep normoverschrijding;
  • stimuleren verwijderen bagger uit overig water;
  • ecologische monitoring aanleg leefgebied flora en fauna;
  • optimaliseren operationeel beheer;
  • monitoren effecten maatregelen 1

e stroomgebiedbeheerplan:

Van de overige beheermaatregelen en de RO-maatregelen is in het waterkwaliteitsportaal van het informatiehuis water geen nadere uitsplitsing gegeven.

14) Pag.28. Voor alternatieve bronnen zal nog moeten worden bepaald wat voor bescherming hieraan wordt toegekend; beleid en afspraken hieromtrent zullen in een later stadium worden gemaakt. Aan welke termijn moeten we dan denken?

Antwoord

Dunea is recent gestart met een pilot voor brakwaterwinning. Het doel hierbij is brak water te gebruiken voor de bereiding van drinkwater. Daarnaast zijn er plannen voor het inzetten van het Valkenburgse meer als bron voor drinkwater. Ook Oasen onderzoekt de mogelijkheden voor een brakwaterwinning. Zodra deze ontwikkelingen verder vorm gaan krijgen wordt bekeken welke bescherming hieraan toe wordt gekend. De inschatting is dat dit een termijn van jaren is.

15) Waardoor wordt de overschrijding DICP, MTBE, Gabapentine, Triisobutylfosfaat veroorzaakt en hoe komt het dat er zelfs een stijgende trend is?

Antwoord

De herkomst van de genoemde stoffen is weergegeven in de tabel van bijlage 9. De stijgende trend is te verklaren door toenemend gebruik van deze stoffen. Het gaat bij deze stoffen om diffuse verontreiniging, afkomstig uit meerdere en niet duidelijk te lokaliseren bronnen.