Tech­nische vragen ontwerp Natuur­be­heerplan 2021


Indiendatum: mei 2020

1) Er staat: ‘Het natuurbeheerplan wordt jaarlijks geactualiseerd en ter visie gelegd. In de periode van 12 april 2019 tot en met 24 mei 2019 heeft het Ontwerp-Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2020 ter inzage gelegen. Op dit ontwerp zijn vijftien zienswijzen ingediend door belanghebbenden. Deze zienswijzen zijn beantwoord in de Nota van beantwoording en waar van toepassing is het natuurbeheerplan gewijzigd.’ Kan worden aangegeven wat de kern van de 15 zienswijzen was en waarop het Natuurbeheerplan is aangepast n.a.v. de zienswijzen?

2) De provincie zet bij het behalen van de natuurdoelen ook in op de zogenoemde ‘zelfrealisatie’ Kan worden aangegeven wat de stand van zaken is t.a.v. de ‘zelfrealisatie’; hoeveel ha er nu op deze manier wordt beheerd en wat de resultaten hiervan zijn?

3) Pag.4, 5e alinea. Er staat: ‘Eén van de maatregelen is vaak het continueren van het bestaande natuurbeheer. Het Natuurbeheerplan Zuid-Holland is onderdeel van de basis voor het subsidiëren van het bestaande natuurbeheer. Specifieke maatregelen die gericht zijn op het verminderen van stikstofuitstoot of het (aanvullend op regulier natuurbeheer) tegengaan van de negatieve effecten van stikstof zijn geen onderdeel van het Natuurbeheerplan Zuid-Holland.’
- a Welke invloed hebben de negatieve effecten van stikstof op de uitvoering van het Natuurbeheerplan?
- b Waarom is er hier voor gekozen om het niet integraal, maar sectoraal aan te pakken en de negatieve effecten van stikstof niet mee te nemen?

4) Pag.5, 4e alinea. Er staat: ‘Net als bij het Natuurbeheerplan 2020 zijn in het Ontwerp Natuurbeheerplan 2021 uitsluitend technische wijzigingen en geen beleidswijzigingen opgenomen.’ Om welke technische wijzigingen gaat het dan?

5) Pag.4, 6e alinea. Er staat: ‘De bevoegdheid voor het vaststellen van het Natuurbeheerplan 2021 ligt bij Gedeputeerde Staten (GS) van Zuid-Holland.’ Betreft het hier een wettelijke bevoegdheid of een gemandateerde bevoegdheid van PS?

6) Pag.5, 2e alinea. Er staat: ‘In planologisch opzicht is het Zuid-Hollandse deel van het NNN vastgesteld in de Verordening Ruimte van de Structuurvisie Zuid-Holland. Het Natuurbeheerplan heeft daarom geen planologische consequenties of consequenties voor bestemmingsplannen. Aanpassingen aan het Natuurbeheerplan of aan onderdelen van het plan –zoals de kaarten -kunnen jaarlijks plaatsvinden of wanneer GS of PS daartoe besluiten.’ Betreft dit dan niet het planologische deel en valt dit dan niet onder de Verordening Ruimte?

7) Pag.9, 2.3 1e alinea: er staat dat provincie potentie heeft uit te groeien tot rijkste blauwgroene leefomgeving van Europa. Hoe denkt de provincie dat te bereiken en hoe denkt de provincie dat te kunnen meten?

8) Pag.10, 1e alinea: aan welke (genoemde) transities kan een duurzame landbouw fors bijdragen? Deze zijn niet in het voorgaande terug te vinden en het is ons niet duidelijk welke transities worden bedoeld.

9) Pag.10, 2e alinea: hoe kan bouw van 240.000 nieuwe woningen bijdragen aan vergroten groenblauwe kwaliteit?

10) Pag.10, 6e alinea. Er staat: ‘De waterdoelen zijn door Gedeputeerde Staten geactualiseerd in het Regionaal waterplan 2016-2021. De waterschappen geven daarnaast aan welke waterbeheerdiensten voor de door hen te realiseren waterdoelen nodig zijn, inclusief randvoorwaarden en prioriteiten. Deze waterdoelen zijn opgenomen in dit Natuurbeheerplan 2021.Ook de doelen van het waterbeleid ten aanzien van wateren die grenzen aan agrarische gronden worden door provincie in het Natuurbeheerplan vastgelegd.’ Om welke waterdoelen gaat het hier?

11) Pag.14, 4e alinea: waarom wordt ‘water’ niet opgenomen in Index Natuur en Landschap?

12) Pag.19, 4e alinea: wie of welk instituut levert objectieve onderzoeksgegevens waaruit blijkt dat continuering van de subsidiebeschikking geen ecologische meerwaarde meer biedt?

13) Pag.20, 1e alinea: waarom is bij de grens voor recreatieve mogelijkheden de natuurwaarde ’zeer kwetsbaar’ leidend, in plaats van minder strenge voorwaarden zoals ‘kwetsbaar’? Is de natuurwaarde ‘kwetsbaar’ al niet voldoende reden om recreatie te verminderen?

14) Pag.21, 5e alinea. Er staat: ‘Voor de effectieve en kansrijke uitvoering van blauwe diensten stellen provincie en waterschappen gezamenlijk handreikingen op. Deze zijn zowel gericht op de invulling en omvang van de diensten als op het (geografisch) toepassingsgebied ervan.’ Wat zijn deze handreikingen?

15) Pag.21, 7e alinea: welk ‘abstractieniveau’ wordt hier bedoeld? En hoe wordt hier dan ecologische doelen blauwe dienst gekoppeld aan ecologische doelen leefgebieden?

16) Pag.21 7e alinea: welk ‘abstractieniveau’ wordt hier bedoeld? En hoe wordt hier dan ecologische doelen blauwe dienst gekoppeld aan ecologische doelen leefgebieden?

17) Pag.22, 6e alinea. Er staat: ‘De provincie Zuid-Holland geeft een eigen inhoudelijke beoordeling van het ecologisch rendement op basis van de criteria van het Natuurbeheerplan.’ Kan op hoofdlijnen worden aangegeven waar deze inhoudelijke beoordeling uit bestaat?

18) Pag.19, 4.1 1e alinea: is er een plan van aanpak voor het bereiken van de volledige voltooiing van het NNN netwerk in 2027? En op welke wijze wordt de voltooiing van het NNN netwerk dan gemonitord?

19) Pag.22, 4.2 4e alinea: zijn de evaluatiegesprekken met agrarische collectieven schriftelijk vastgelegd en in te zien? Zo ja, waar kunnen wij die vinden?

20) Pag.24, 2e alinea: wat houdt verlaging van de beweidings- en verstoringsdruk precies in, hoeveel bemesting wordt er verminderd, hoeveel later wordt er gemaaid en hoeveel hoger komt het waterpeil?

21) Pag.25, 2e alinea: worden al de hier genoemde maatregelen door de agrariër (of collectief) zelf uitgevoerd?

22) Pag.25 tabel 1: hoe worden de doelsoorten per leefgebied bepaald? Waarom wel de soorten in de tabel en niet de soorten buiten de tabel vermeld in alinea 4?

23) Pag.29, 1e alinea: heeft de provincie cijfers van hoeveel sleepslangen er worden gebruikt? Zo nee, hoe weet provincie dan dat op grote schaal gebruik wordt gemaakt van sleepslangen?

24) Pag.35, 1e alinea. Er staat: ‘Waterdoelen en criteria agrarisch waterbeheer. Te subsidiëren agrarisch waterbeheer dient volgens het POP3 gericht te zijn op verduurzaming, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Hiermee levert het een bijdrage aan de realisering van de waterkwaliteits-en kwantiteitsdoelstellingen van provincie en waterschappen. De positieve effecten van agrarisch waterbeheer reiken verder dan alleen het watersysteem: het heeft ook een positieve invloed op natuurkwaliteit en natuurwaarden, voor de slootkant en op het land. Schone en soortenrijke oppervlaktewateren die deel uitmaken van een samenhangend watersysteem zijn een onmisbare voorwaarde voor een robuuste en klimaatbestendige natuur in het agrarisch gebied.’ Welke voorwaarden worden er gesteld aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen en bemesting en welke voorwaarden worden er gesteld om afspoeling van nutriënten in het water te voorkomen?

25) Pag.35, 5e alinea: er staat dat beperkte financiële middelen het nodig maken om prioriteiten te stellen bij het subsidiëren van blauwe diensten. Waarom is hier sprake van een beperkt financieel budget en waaruit bestaat dat budget precies?

26) Pag.37, 4e alinea: er staat dat chemische gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan zijn op gronden die met provinciale subsidie worden beheerd. Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen hier uitzonderingen op maken. Welke bijzondere gevallen zijn dat?

27) Pag.37, 5e alinea: waarom wordt er per gebied slechts één aanvraag gehonoreerd? Ter verbetering natuur en biodiversiteit zouden meer aanvragen per gebied toch kunnen leiden naar meer resultaat?

28) Pag.39: zijn de resultaten van de monitoring natuurbeheer, agrarisch natuurbeheer en van blauwe diensten in te zien?

Indiendatum: mei 2020
Antwoorddatum: 14 mei 2020

Technische vragen en antwoorden ontwerp natuurbeheerplan 2021

1) Er staat: ‘Het natuurbeheerplan wordt jaarlijks geactualiseerd en ter visie gelegd. In de periode van 12 april 2019 tot en met 24 mei 2019 heeft het Ontwerp-Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2020 ter inzage gelegen. Op dit ontwerp zijn vijftien zienswijzen ingediend door belanghebbenden. Deze zienswijzen zijn beantwoord in de Nota van beantwoording en waar van toepassing is het natuurbeheerplan gewijzigd.’ Kan worden aangegeven wat de kern van de 15 zienswijzen was en waarop het Natuurbeheerplan is aangepast n.a.v. de zienswijzen?

Dit staat in de bij de stukken gevoegde Nota van beantwoording. Let op, dit slaat wel op het Natuurbeheerplan 2020.

2) De provincie zet bij het behalen van de natuurdoelen ook in op de zogenoemde ‘zelfrealisatie’ Kan worden aangegeven wat de stand van zaken is t.a.v. de ‘zelfrealisatie’; hoeveel ha er nu op deze manier wordt beheerd en wat de resultaten hiervan zijn?

Het gaat om ca. 500 ha. In de monitoring en analyse van de monitoringsgegevens wordt geen specifieke analyse gemaakt van het areaal dat middels zelfrealisatie tot stand is gekomen.

3) Pag.4, 5e alinea: er staat: ‘Eén van de maatregelen is vaak het continueren van het bestaande natuurbeheer. Het Natuurbeheerplan Zuid-Holland is onderdeel van de basis voor het subsidiëren van het bestaande natuurbeheer. Specifieke maatregelen die gericht zijn op het verminderen van stikstofuitstoot of het (aanvullend op regulier natuurbeheer) tegengaan van de negatieve effecten van stikstof zijn geen onderdeel van het Natuurbeheerplan Zuid-Holland.’

a) Welke invloed hebben de negatieve effecten van stikstof op de uitvoering van het Natuurbeheerplan?

Hier wordt bedoeld de negatieve effecten op de natuur, zoals het sneller doen groeien van ongewenst gewas ten opzichte van gewenste soorten. Het natuurbeheerplan gaat over het reguliere natuurbeheer; de aanvullende maatregelen om de negatieve effecten van stikstof teniet te doen (zoals aanvullend extra afvoeren van gewas) maken geen onderdeel uit van het natuurbeheerplan. Eventueel aanvullende maatregelen die getroffen kunnen worden bovenop het reguliere beheer, worden momenteel via gebiedsanalyses in kaart gebracht en worden t.z.t. verwerkt in de Natura 2000-beheerplannen van de Natura 2000 gebieden.

b) Waarom is er hier voor gekozen om het niet integraal maar sectoraal aan te pakken en de negatieve effecten van stikstof niet mee te nemen?

Omdat het natuurbeheerplan onderdeel is van het stelsel voor het reguliere natuurbeheer en de extra maatregelen voor het tegengaan van de negatieve invloed van stikstof in gebiedsanalyses verkend worden en in de gebiedsgerichte aanpakken verder uitgewerkt worden bestaat dit laatste veelal uit maatwerkafspraken per Natura 2000 gebied. Dit leent zich minder goed om in een provincie breed natuurbeheerplan op te nemen. Op termijn, als alle gebiedsanalyses zijn afgerond en de te nemen extra maatregelen bekend zijn, Wordt gekeken of er ook provinciebrede maatregelen zijn die in het natuurbeheerplan passen.

4) Pag.5, 4e alinea: er staat: ‘Net als bij het Natuurbeheerplan 2020 zijn in het Ontwerp Natuurbeheerplan 2021 uitsluitend technische wijzigingen en geen beleidswijzigingen opgenomen.’ Om welke technische wijzigingen gaat het dan?

- Het betreft verschillende verbeteringen in het kaartmateriaal

- Toevoeging aan paragraaf 1.2 ‘Dit betreft het reguliere natuurbeheer, specifieke maatregelen die gericht zijn op het verminderen van stikstofuitstoot of het (aanvullend op regulier natuurbeheer) tegengaan van de negatieve effecten van stikstof zijn niet meegenomen in dit natuurbeheerplan.’ Om het natuurbeheerplan te plaatsen ten opzichte van de stikstofmaatregelen.

- De tweede alinea van paragraaf 2.1 is geactualiseerd wat betreft de invoering van het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouw Beleid.

- In het laatste deel van paragraaf 5.1 en aan het begin van paragraaf 5.2 is toegevoegd dat chemische gewasbeschermingsmiddelen niet zijn toegestaan op gronden die met provinciale subsidie worden beheerd. Dit is voor het natuurbeheerplan nieuw maar stond staat sinds vorig jaar in de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer Zuid-Holland 2016. Hiermee is het natuurbeheerplan weer in lijn met de bijbehorende subsidieregeling.

- Verder zijn wat jaartallen naar de actuele situatie aangepast.

- In Bijlage 2 is ‘ Terreinbeherende organisaties (TBO)’ verwijderd omdat dit een dubbeling betreft met de bij naam genoemde TBO’s uit dit overzicht.

5) Pag.4, 6e alinea: er staat: ‘De bevoegdheid voor het vaststellen van het Natuurbeheerplan 2021 ligt bij Gedeputeerde Staten (GS) van Zuid-Holland.’ Betreft het hier een wettelijke bevoegdheid of een gemandateerde bevoegdheid van PS?

De bevoegdheid tot het vaststellen van het natuurbeheerplan is verbonden met de door PS aan GS gedelegeerde bevoegdheid om subsidieregelingen vast te stellen.

Het natuurbeheerplan is ‘slechts’ de kaart waarop staat op welke percelen welk beheer subsidiabel is. Het natuurbeheerplan is daarmee een onderdeel van de subsidieregeling en valt daarmee binnen de GS bevoegdheid.

6) Pag.5, 2e alinea: er staat: ‘In planologisch opzicht is het Zuid-Hollandse deel van het NNN vastgesteld in de Verordening Ruimte van de Structuurvisie Zuid-Holland. Het Natuurbeheerplan heeft daarom geen planologische consequenties of consequenties voor bestemmingsplannen. Aanpassingen aan het Natuurbeheerplan of aan onderdelen van het plan –zoals de kaarten -kunnen jaarlijks plaatsvinden of wanneer GS of PS daartoe besluiten.’ Betreft dit dan niet het planologische deel en valt dit dan niet onder de Verordening Ruimte?

Nee, ook het kaartmateriaal van het natuurbeheerplan kent geen planologische werking.

7) Pag.9, 2.3 1e alinea: er staat dat provincie potentie heeft uit te groeien tot rijkste blauwe-groene leefomgeving van Europa. Hoe denkt de provincie dat te bereiken en hoe denkt de provincie dat te kunnen meten?

Dit is verwoord in de Visie Rijk Groenblauwe Leefomgeving met bijbehorende uitvoerinigsagenda, door PS vastgesteld.

8) Pag.10, 1e alinea: aan welke (genoemde) transities kan een duurzame landbouw fors bijdragen? Deze zijn niet in het voorgaande terug te vinden en het is ons niet duidelijk welke transities worden bedoeld.

Het betreft een quote uit de Uitvoeringsagenda Rijke Groenblauwe Leefomgeving. Het betreft:
- Meer mensen en meer woningen
- Vermindering CO2-uitstoot
- Klimaatadaptatie
- Tegengaan bodemdaling
- Zuiniger omgaan met grondstoffen
- Meer biodiversiteit en biomassa aan insecten

9) Pag.10, 2e alinea: hoe kan bouw van 240.000 nieuwe woningen bijdragen aan vergroten groenblauwe kwaliteit?

Het betreft een quote uit de uitvoeringsagenda. In de uitvoeringsagenda wordt gesteld dat bij de bouw van de 240.000 nieuwe woningen er bijgedragen zou moeten worden aan een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Hiermee wordt bedoeld dat bij de aanleg van nieuwe woonwijken tegelijkertijd meer groen en waterpartijen zouden moeten worden nagestreefd.

10) Pag.10, 6e alinea: er staat: ‘De waterdoelen zijn door Gedeputeerde Staten geactualiseerd in het Regionaal waterplan 2016-2021. De waterschappen geven daarnaast aan welke waterbeheerdiensten voor de door hen te realiseren waterdoelen nodig zijn, inclusief randvoorwaarden en prioriteiten. Deze waterdoelen zijn opgenomen in dit Natuurbeheerplan 2021.Ook de doelen van het waterbeleid ten aanzien van wateren die grenzen aan agrarische gronden worden door provincie in het Natuurbeheerplan vastgelegd.’ Om welke waterdoelen gaat het hier?

De waterschappen financieren het agrarisch natuurbeheer daar waar het doel ‘verbeteren van de waterkwaliteit’ wordt nagestreefd.

11) Pag.14, 4e alinea: waarom wordt ‘water’ niet opgenomen in Index Natuur en Landschap?

In de index zijn verschillende natuurbeheertypen onderscheiden en beschreven. Daarbinnen zijn ook enkele water-typen beschreven. De natuurbeheertypen bevinden zich over het algemeen binnen NNN. Het agrarisch natuurbeheer, waar de categorie ‘water’ voor van belang is, werkt niet met de natuurbeheertypen van de index maar met de verschillende leefgebieden en de categorie water.

12) Pag.19, 4e alinea: wie of welk instituut levert objectieve onderzoeksgegevens waaruit blijkt dat continuering van de subsidiebeschikking geen ecologische meerwaarde meer biedt?

De monitoringsgegevens komen vanuit meerdere organisaties, zoals Sovon maar ook vanuit de terrein beherende organisaties.

13) Pag.20, 1e alinea: waarom is bij de grens voor recreatieve mogelijkheden de natuurwaarde ’zeer kwetsbaar’ leidend, in plaats van minder strenge voorwaarden zoals ‘kwetsbaar’? Is de natuurwaarde ‘kwetsbaar’ al niet voldoende reden om recreatie te verminderen?

Vanuit het landelijke model van de subsidieregeling, welke Europees is goedgekeurd, volgt dat het terrein niet opengesteld hoeft te zijn indien sluiting nodig is bij of krachtens de Wet natuurbescherming. Dit is in het natuurbeheerplan verwoord als ‘zeer kwetsbaar’.

14) Pag.21, 5e alinea: er staat: ‘Voor de effectieve en kansrijke uitvoering van blauwe diensten stellen provincie en waterschappen gezamenlijk handreikingen op. Deze zijn zowel gericht op de invulling en omvang van de diensten als op het (geografisch) toepassingsgebied ervan.’ Wat zijn deze handreikingen?

Via BIJ12 (samenwerking van de provincies op uitvoeringsniveau) is hierover informatie beschikbaar:

https://www.bij12.nl/onderwerp...

15) Pag.21, 7e alinea: welk ‘abstractieniveau’ wordt hier bedoeld? En hoe wordt hier dan ecologische doelen blauwe dienst gekoppeld aan ecologische doelen leefgebieden?

Het hoge abstractieniveau dat een betere waterkwaliteit in zijn algemeen leidt tot een betere biodiversiteit.

16) Pag.21, 7e alinea: welk ‘abstractieniveau’ wordt hier bedoeld? En hoe wordt hier dan ecologische doelen blauwe dienst gekoppeld aan ecologische doelen leefgebieden?

Zie vraag 15

17) Pag.22, 6e alinea: er staat: ‘De provincie Zuid-Holland geeft een eigen inhoudelijke beoordeling van het ecologisch rendement op basis van de criteria van het Natuurbeheerplan.’ Kan op hoofdlijnen worden aangegeven waar deze inhoudelijke beoordeling uit bestaat?

Bij de beoordeling van de aanvragen wordt gekeken of de aanvraag voldoet aan het gestelde in deze paragraaf 4.2. In de verschillende subparagrafen zijn per leefgebied de inhoudelijke criteria beschreven. De vakafdeling beoordeelt of de aanvraag hieraan voldoet.

18) Pag.19, 4.1 1e alinea: is er een plan van aanpak voor het bereiken van de volledige voltooiing van het NNN netwerk in 2027? En op welke wijze wordt de voltooiing van het NNN netwerk dan gemonitord?

Met de vaststelling van het Kaderbesluit Groen 2018 (juni 2018) hebben Provinciale Staten de gewijzigde realisatiestrategie voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) in Zuid-Holland vastgesteld. De realisatiestrategie is gericht op de tijdige realisatie van het NNN in Zuid-Holland.

Bijgehouden wordt hoeveel hectares er verworven en ingericht zijn en dit wordt jaarlijks in de voortgangsrapportage aan PS gerapporteerd.

19) Pag.22, 4.2 4e alinea: zijn de evaluatiegesprekken met agrarische collectieven schriftelijk vastgelegd en in te zien? Zo ja, waar kunnen wij die vinden?

Nee, deze zijn niet schriftelijk vastgelegd.

20) Pag.24, 2e alinea: wat houdt verlaging van de beweidings- en verstoringsdruk precies in, hoeveel bemesting wordt er verminderd, hoeveel later wordt er gemaaid en hoeveel hoger komt het waterpeil?

In het stelsel van agrarisch natuurbeheer maakt het agrarische collectief beheerafspraken met de agrariërs. Deze afspraken kunnen per gebied en deelnemer verschillen. Zo zijn er beheerafspraken gericht op kruidenrijk grasland waar geen bemesting mag plaatsvinden, of uitgesteld maaien tot data variërend van 1 juni tot eind juni of zelfs begin juli, het creëren van plasdras-situaties waarbij water op het land gepomp wordt en een hoger waterpeil in de sloot van 20 tot 40 cm hoger en een maximale veebezetting van 1,5 grootvee-eenheid per hectare.

21) Pag.25, 2e alinea: worden al de hier genoemde maatregelen door de agrariër (of collectief) zelf uitgevoerd?

Het collectief maakt afspraken met de agrariër en de agrariër voert ze uit.

22) Pag.25 tabel 1: hoe worden de doelsoorten per leefgebied bepaald? Waarom wel de soorten in de tabel en niet de soorten buiten de tabel vermeld in alinea 4?

De doelsoorten uit de tabel komen voort uit de 68 doelsoorten die voor het ANLb zijn benoemd. Dit zijn diersoorten waarvoor Nederland een internationale verplichting heeft om hun ‘staat van instandhouding’ te verbeteren of te behouden en die afhankelijk zijn van het landelijke gebied. De ander genoemde soorten staan niet op die lijst maar zijn wel vermeldenswaardig geacht.

23) Pag.29, 1e alinea: heeft de provincie cijfers van hoeveel sleepslangen er worden gebruikt? Zo nee, hoe weet provincie dan dat op grote schaal gebruik wordt gemaakt van sleepslangen?

Nee. Hier zijn geen cijfers van maar de tekst is gebaseerd op algemene kennis, informatie van derden waarnemingen op ambtelijk niveau.

24) Pag.35, 1e alinea. er staat: ‘Waterdoelen en criteria agrarisch waterbeheer Te subsidiëren agrarisch waterbeheer dient volgens het POP3 gericht te zijn op verduurzaming, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Hiermee levert het een bijdrage aan de realisering van de waterkwaliteits-en kwantiteitsdoelstellingen van provincie en waterschappen. De positieve effecten van agrarisch waterbeheer reiken verder dan alleen het watersysteem: het heeft ook een positieve invloed op natuurkwaliteit en natuurwaarden, voor de slootkant en op het land. Schone en soortenrijke oppervlaktewateren die deel uitmaken van een samenhangend watersysteem zijn een onmisbare voorwaarde voor een robuuste en klimaatbestendige natuur in het agrarisch gebied.’ Welke voorwaarden worden er gesteld aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen en bemesting en welke voorwaarden worden er gesteld om afspoeling van nutriënten in het water te voorkomen?

Het collectief kan met de deelnemende agrariërs afspraken maken over slootkant- en akkerrandbeheer waarbij er in de rand geen mest en chemische bestrijdingsmiddelen toegepast worden.

25) Pag.35, 5e alinea: er staat dat beperkte financiële middelen het nodig maken om prioriteiten te stellen bij het subsidiëren van blauwe diensten. Waarom is hier sprake van een beperkt financieel budget en waaruit bestaat dat budget precies?

Het betreft de financiële middelen die de waterschappen beschikbaar stellen voor de watermaatregelen via het agrarisch natuurbeheer. De waterschappen hebben aan hun bijdrage maxima verbonden. Het agrarisch natuurbeheer, waaronder de watermaatregelen, kent daarnaast cofinanciering vanuit POP3. Het subsidiebedrag per jaar voor watermaatregelen bedraagt momenteel ca. € 277.000,-. Het is overigens zo dat momenteel het geld nog niet beperkend is, maar de animo bij deelnemers nog achterblijft.

26) Pag.37, 4e alinea: er staat dat chemische gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan zijn op gronden die met provinciale subsidie worden beheerd. Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen hier uitzonderingen op maken. Welke bijzondere gevallen zijn dat?

Daarbij kan gedacht worden aan het pleksgewijs toestaan van bestrijdingsmiddelen tegen invasieve exoten en storingssoorten.

27) Pag.37, 5e alinea: waarom wordt er per gebied slechts één aanvraag gehonoreerd? Ter verbetering natuur en biodiversiteit zouden meer aanvragen per gebied toch kunnen leiden naar meer resultaat?

In het ANLb is er in de verschillende regio’s overal maar één agrarisch collectief actief. De collectieven bestrijken die gehele regio. Daarmee is het juist zeer efficiënt daar waar het gaat om het creëren van optimale beheermozaïeken, afstemming van het beheer, coördinatie vrijwilligers/monitoring en inbreng in gebiedsprocessen. Meer aanvragen, en dus verschillende collectieven die het beheer coördineren in één gebied zou de integraliteit van beheer in gevaar brengen.

28) Pag.39: zijn de resultaten van de monitoring natuurbeheer, agrarisch natuurbeheer en van blauwe diensten in te zien?

Hiervoor wordt verwezen naar de Voortgangsrapportages Groen.